1.1 Aanleiding voor de richtlijn

Vorige artikel Volgende artikel

Het begrip ‘eetstoornis’ is de laatste decennia verruimd. Rond 1970 behoorde alleen anorexia nervosa daartoe, nu is het begrip veel omvattender en vallen zowel anorexia en boulimia nervosa (in verschillende gedaanten: beperkend, respectievelijk eetbuienpurgerend) als ook de eetbuistoornis erbinnen. Er ontstaat zo langzamerhand een continuüm van eetstoornissen, lopend van extreem ondergewicht tot extreem zwaarlijvig. In 1989 is een Gezondheidsraadadvies verschenen, waarin knelpunten in de zorg voor patiënten met eetstoornissen worden benoemd. Sindsdien is er veel verbeterd.

 

In 1998 heeft de Stuurgroep Eetstoornissen Nederland (SEN) een rapport gepubliceerd waarin de adviezen van de Gezondheidsraad verder zijn uitgewerkt en geconcretiseerd. Naast adviezen over clustering van zorg middels regionaal verspreide gespecialiseerde centra met multidisciplinaire aanpak, met bijhorende randvoorwaarden, pleitte de Stuurgroep onder meer voor protocolontwikkeling en nader wetenschappelijk onderzoek. Mede op basis van deze adviezen is de Werkgroep multidisciplinaire richtlijnontwikkeling ingesteld.

‘Eetstoornissen' komen in Nederland relatief weinig voor. Anorexia nervosa en boulimia nervosa behoren echter tot de psychiatrische ziekten met de hoogste mortaliteit (circa 15%; waarvan ongeveer 2/3 als gevolg van ondervoeding en 1/3 door suïcide) en chroniciteit. Na meer dan 10 jaar is 20% van de oorspronkelijke patiënten nog steeds als eetstoornispatiënt te diagnosticeren; 30% vertoont dan nog partiële symptomen of restsymptomen. Daar komt nog bij dat de prevalentie moeilijk te meten is en waarschijnlijk onderschat wordt. Waarschijnlijk zijn er veel mensen met eetstoornissen die noch daarover in bevolkingsonderzoek rapporteren, noch daarvoor in zorg zijn. Redenen hiervoor zijn de schaamte of het taboe dat op de ziekte rust, of de neiging tot ontkenning. Als patiënten wel met klachten komen, wordt het ziektebeeld vaak niet herkend. En als het wel herkend wordt, dan zijn de patiënten over het algemeen moeilijk tot hulpverlening te motiveren. Ten slotte is er een versnipperd zorgaanbod met verschillende methodieken die weinig op elkaar aansluiten. Een extra handicap daarbij is dat de hulpverlening zich afspeelt op het grensvlak van jeugd- en volwassenenzorg.

De verwachting is dat de prognose te verbeteren is door eerdere herkenning, door het vergroten van de kunst van het motiveren en door een betere afstemming van de hulpverlening, zowel qua methodiek, als qua overdracht en samenwerking. Inmiddels wordt door iedereen erkend dat een multidisciplinaire aanpak noodzakelijk is. Ook de patiëntenorganisaties hebben daarin een belangrijke plaats.