|
|
3.1 Gender, leeftijd, etniciteit en sociaal-economische status
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de diverse risicogroepen en risicofactoren voor eetstoornissen die in de onderzoeksliteratuur genoemd worden. Men kan risicogroepen onderscheiden op grond van gender, leeftijd, etniciteit en sociaal- economische status. Zo wordt er aandacht geschonken aan de volgende risicogroepen: jonge vrouwen van 12 - 25 jaar; kinderen (in het bijzonder meisjes, maar soms ook jongens) onder de 12 jaar; jongens en mannen; en vrouwen ouder dan 25 jaar. Tevens wordt ingegaan op eetstoornissen bij meisjes en vrouwen die afkomstig zijn uit een niet-westerse cultuur. Daarnaast is er sprake van meer specifieke risicofactoren: familiaire factoren, biologische factoren, culturele factoren, omgevingsfactoren, en algemene en specifieke psychische risicofactoren. Tevens worden de resultaten besproken van onderzoek naar primaire preventie van eetstoornissen.
3.1 Gender, leeftijd, etniciteit en sociaal-economische status
Om de vraag welke rol gender, leeftijd, etniciteit en sociaal-economische status in de ontwikkeling van eetstoornissen spelen te beantwoorden is een literatuuronderzoek uitgevoerd. Er is daarvoor gebruikgemaakt van de databases Medline en PsycINFO. Als zoektermen zijn gebruikt: diverse combinaties van ‘eating disorders’, ‘anorexia nervosa’, ‘boulimia nervosa’, ‘gender’, ‘age’, ‘social-economic’, ‘etnicity’ (AND/OR). De aanbeveling over gender, leeftijd, etniciteit en sociaal-economische status is gezamenlijk aan het eind van deze paragraaf geformuleerd.
3.1.1 Algemeen
Wetenschappelijk bewijs De grootste risicogroep wordt gevormd door jonge vrouwen van 15 - 25 jaar, in geïndustrialiseerde landen. Meisjes en vrouwen vormen 95% van alle eetstoornispatiënten. Dit gegeven wordt zowel in klinische als in niet-klinische onderzoeken geconstateerd (Jacobi e.a., 2004). De vrouw-manratio wordt geschat op 10:1 voor zowel anorexia nervosa als boulimia nervosa. De vrouw-manratio bij binge-eating disorder (BED) wordt ongeveer gelijk geschat (Spitzer e.a., 1992).
Conclusie
| Niveau 1 |
Jonge vrouwen van 15 - 25 jaar in geïndustrialiseerde landen vormen 95% van alle eetstoornispatiënten.
A2 Spitzer e.a., 1992; Hoek & Van Hoeken, 2003; Jacobi e.a., 2004 |
| Niveau 1 |
De vrouw-manratio bij eetstoornissen is 10:1 bij anorexia nervosa en boulimia nervosa; bij binge-eating disorder is deze ratio ongeveer gelijk.
A2 Spitzer e.a.,1992; Hoek & Van Hoeken, 2003; Jacobi e.a., 2004 |
3.1.2 Kinderen onder de 12 jaar
Wetenschappelijk bewijs In Nederland zijn geen prevalentiecijfers bekend betreffende kinderen onder de 12 jaar, mede omdat de uitingsvorm van gestoord eetgedrag vaak anders is dan bij oudere kinderen en adolescenten. Bij het jonge kind kan sprake zijn van selectief eetgedrag, waarbij de inname van diverse soorten voedsel sterk beperkt wordt. Andere eetstoornissen die bij jonge kinderen voorkomen, zijn voedselvermijding ten gevolge van onderliggende emotionele factoren, dysfagie zonder organische oorzaak, en voedselweigering als uiting van een uitgebreidere psycho-emotionele stoornis (Messer e.a., 1994). Jonge kinderen (6-11 jaar) kunnen echter wel reeds aandacht hebben voor hun lichaamsvorm en -gewicht (Ricciardelli & McCabe, 2001; Moreno & Thelen, 1995). Uit een literatuuroverzicht bleek dat kinderen met de voor kinderen aangepaste Body Dissatisfaction Scale of the Eating Disorder Inventory (BD-EDI) goed getest kunnen worden (Gardner e.a., 1997; Wood e.a., 1996). Onvrede met lichaamsafmetingen is bij kinderen gerelateerd aan gender, leeftijd en body mass index (BMI) (Flannery- Schroeder & Chrisler, 1996; Gardner e.a., 1997; Thelen e.a., 1992). Verder zijn in verband met bezorgdheid over de lichaamsvorm dezelfde factoren onderzocht als bij adolescenten en volwassenen: etniciteit, de invloed van de media; lijngedrag van leeftijdgenoten (peers), gebrek aan zelfvertrouwen, cognities rond voedsel en eetgedrag. Op basis van de diverse onderzoeken bestaat de indruk dat bij jonge kinderen sprake is van dezelfde determinanten voor bezorgdheid over lichaam en uiterlijk en gestoord eetgedrag als bij oudere kinderen en adolescenten. Vertekening van oorzaak en gevolg is echter niet uit te sluiten. omdat de meeste van deze onderzoeken dwarsdoorsnedeonderzoeken (cross-sectional studies) waren. Preoccupatie met het lichaam en vroege kenmerken van gestoord eetgedrag bij het jonge kind voorspellen echter nog geen ontwikkeling van een eetstoornis op latere leeftijd (Jacobi e.a., 2004).
Conclusie
| Niveau 4 |
Er zijn sterke aanwijzingen dat eetstoornissen als anorexia nervosa en boulimia nervosa reeds voorkomen in de leeftijdsperiode tussen 8 en 12 jaar. In Nederland zijn hierover echter nog te weinig gegevens beschikbaar.
D Gardner e.a., 1997; Wood e.a., 1996 |
| Niveau 3 |
Bij kinderen jonger dan 10 jaar komen diverse vormen van gestoord eetgedrag voor, die nog geen eetstoornis op latere leeftijd voorspellen, maar de kans daarop wel groter maken dan bij een controlegroep van kinderen jonger dan 10 jaar zonder eetproblemen of afwijkend eetgedrag.
C Messer e.a., 1994; Marchi & Cohen, 1990 ; Kotler e.a., 2001; Jacobi e.a., 2004 |
3.1.3 Jongens/mannen
Anorexia nervosa en boulimia nervosa komen aanzienlijk vaker voor bij vrouwen dan bij mannen, respectievelijk 90 versus 10% ( Spitzer e.a., 1992). Bij de lichaamsbeleving spelen seksespecifieke ervaringen en ideaalbeelden een rol. Bij meisjes gaat het om de beleving van vet(verdeling), de beleving van borstontwikkeling en menstruatie, de seksualiteit en bij dat laatste voornamelijk de negatieve seksuele ervaringen. Bij jongens spelen de beleving van vet(verdeling), gespierdheid, het uiterlijk beeld van mannelijkheid, negatieve seksuele ervaringen en homoseksuele identiteit (bij 20%) een rol.
Wetenschappelijk bewijs Ook bij jongens kunnen gewichtsobsessies voorkomen. Van een verhoogd risico is sprake bij sporten waarbij het gewicht een belangrijke rol speelt (bv. joggen, atletiek, turnen, ballet, kunstschaatsen, skispringen). Bij sporten waarbij de gewichtsklasse belangrijk is, zoals bij worstelen en bodybuilding, is extreem lijngedrag en gestoord eetgedrag vaak gerelateerd aan en beperkt tot de wedstrijdperiode (Dale & Landers, 1998). Wanneer niet alleen gelet wordt op de dimensie eetgedrag, maar ook op de dimensies van lichaamsbeleving en het geobsedeerd zijn door het uiterlijk, dan zijn een paar mannelijke uitingsvormen te noemen die equivalent zijn aan die bij vrouwen. Ten eerste is er het adoniscomplex (Pope e.a., 2000), waarbij mannen geobsedeerd zijn door hun uiterlijk. Ten tweede is er het machismo nervosa of de muscle dysmorphia. Hierbij is er een subjectief gevoel van mager zijn, zelfs bij redelijke gespierdheid (waarbij sprake kan zijn van misbruik van anabole steroïden). Tot slot zijn er nog de joggingen fitnessverslaafden, die steeds verder of sneller willen joggen, via fitness zeer extreme uiterlijke doelen nastreven en daarmee nooit tevreden zijn (Davis e.a., 1994). Jongens en mannen met een eetstoornis hebben dezelfde kenmerken als meisjes en vrouwen met een eetstoornis. In een onderzoek van Grilo (2002) vertoonden mannen en vrouwen met een eetstoornis geen significant verschil in psychiatrische afwijkingen. Ook bleek er geen verschil tussen mannen en vrouwen met eetstoornissen in de mate van comorbiditeit, behalve meer antisociaal gedrag bij mannen.
Conclusie
| Niveau 3 |
Het lijkt waarschijnlijk dat het aantal jongens en mannen dat extreem lijnt en anorexia nervosa of boulimia nervosa ontwikkelt, veel kleiner is dan het aantal vrouwen met deze verschijnselen. Wel komen bij mannen enkele uitingsvormen voor die overlapping vertonen met een eetstoornis, zoals extreem joggen en sporten en het ontwikkelen van spieren al of niet door het gebruik van anabole steroïden. Jongens en mannen met een eetstoornis hebben dezelfde kenmerken als meisjes en vrouwen met een eetstoornis.
C Dale & Landers, 1998; Davis & Kennedy, 1994; Pope, 2000 |
Overige overwegingen Patiëntenperspectief: hulpverleners dienen alert te zijn op het feit dat ook jongens en mannen aan een eetstoornis kunnen lijden.
3.1.4 Oudere vrouwen
Wetenschappelijk bewijs De meeste eetstoornissen beginnen onder de leeftijd van 20 jaar, maar in sommige gevallen na het 20ste levensjaar of zelf nog later, na een stressvolle gebeurtenis, na extreem lijnen of na een bevalling (Cosford & Arnold, 1992; Lucas e.a., 1999). Verder moet er rekening mee gehouden worden dat vrouwen vaak (20 - 25%) zeer langdurig een eetstoornis houden, of in slechts geringe mate (ongeveer 25% van de patiënten) verbetering vertonen. Dit betekent dat ook onder volwassen en oudere vrouwen anorexia nervosa en boulimia nervosa voorkomen.
Conclusie
| Niveau 3 |
Er zijn aanwijzingen dat bij vrouwen die ouder zijn dan 25 jaar ook nog eetstoornissen voorkomen. Er kan dan sprake zijn van een eetstoornis die dan pas ontwikkeld wordt, maar een deel van de eetstoornissen is een gevolg van een zeer langdurige eetstoornis die reeds op jongere leeftijd is begonnen.
B Cosford & Arnold, 1992; Lucas e.a. 1999 |
3.1.5 Vrouwen van niet-Kaukasische etniciteit: Aziatisch, Arabisch, Afrikaans, Caraïbisch
Wetenschappelijk bewijs In Nederland is nog niet systematisch onderzocht in welke mate eetstoornissen voorkomen bij allochtone vrouwen in Nederland. Uit Brits onderzoek is gebleken dat onder Aziatische meisjes en moslimmeisjes relatief vaak extreem lijngedrag voorkwam, onder meer door de confrontatie met de westerse slankheidnormen en door de eventuele conflicten tussen de diverse culturen waarin ze opgroeien (Nasser, 1997; Thomas e.a., 2002). In Zuid-Afrika zouden zwarte vrouwen vaker een eetstoornis hebben dan blanke vrouwen (Le Grange e.a. 1998; Szabo & Hollands, 1997). Recent onderzoek heeft aangetoond dat in landen waarin sprake is van een snelle industriële ontwikkeling, het aantal vrouwen met een eetstoornis is toegenomen (Gordon, 2001; Nasser e.a., 2001; Rathner, 2001; Jacobi e.a., 2004). Uit onderzoek van Hoek en van Hoeken (2003) bleek dat ook vrouwen uit Curaçao en de Antillen, die hoogopgeleid waren en niet tot de zwarte bevolkingsgroepen horen, eetstoornissen ontwikkelden. Thomas e.a. (2002) hebben in Engeland onderzoek gedaan bij 325 jongens en 387 meisjes van 11 tot 16 naar het effect van gender, etniciteit, socio-economische status, zelfbeeld en gevoelens over eten en eetgedrag. In totaal had 4,6% van de leerlingen een (hoge) score van meer dan 20 op de Eating Attitudes Test (EAT), wat duidt op een eetstoornis. Opvallend was dat Aziatische en islamitische leerlingen, maar vooral leerlingen van gemengde etnische herkomst een significant hogere EAT-score hadden dan ‘blanke’ of Afrikaans-Caraïbische leerlingen. Meer meisjes dan jongens hadden een hoge EAT-score. De Aziatische en islamitische leerlingen hadden echter een lagere BMI dan de ‘blanke’ (Kaukasische) leerlingen. Voor het stellen van de diagnose zal men bij deze leerlingen moeten corrigeren voor een lagere BMI.
Conclusie
| Niveau 2 |
Ook bij allochtone meisjes en vrouwen komen eetstoornissen voor na migratie naar westerse geïndustrialiseerde landen
B Nasser, 1997; Nasser e.a., 2001, Jacobi e.a., 2004 |
3.1.6 Gender, sociaal-economische status en etniciteit
Wetenschappelijk bewijs Uit onderzoek van Thomas e.a. (2002) bleek dat er bij de ontwikkeling van eetstoornissen een samenhang bestond tussen gender, sociaal-economische status, zelfvertrouwen en etniciteit. Kinderen met slechts 1 ouder scoorden hoger op de EAT. Als alleen de moeder werkte (in een tweeoudergezin), dan ging dat samen met een laag zelfvertrouwen van het kind. Een combinatie van een EAT-score >10 en een laag zelfvertrouwen kwam 2 keer zo vaak voor bij Aziatische en islamitische leerlingen als bij ‘blanken’ en bijna 4 keer zo vaak bij vrouwen als bij mannen. Zowel culturele als sociaal-economische factoren spelen onafhankelijk van elkaar een rol bij de ontwikkeling van eetstoornissen. Werkeloosheid van de vader of van beide ouders vormt een risicofactor voor laag zelfvertrouwen en depressie, die op zich weer risicofactoren vormen voor het ontstaan van eetstoornissen. Kinderen van laagopgeleide ouders hebben vaak ernstiger eetstoornissen (Striegel-Moore e.a., 2000). Laag zelfvertrouwen en een depressieve stemming bleken onafhankelijk van elkaar gerelateerd aan een hoge EAT-score. Effecten van sociaal-economische stress of eetstoornissen bleken gemedieerd te kunnen worden door een depressieve stemming en een laag zelfvertrouwen. Jongens hadden meer zelfvertrouwen dan meisjes, daarbij was geen verschil tussen de etnische groepen. Verder worden allochtonen die van een niet-westerse cultuur gemigreerd zijn naar de westerse samenleving vaker geconfronteerd met conflicten tussen verschillende waardesystemen: tussen moderne waarden in de samenleving en traditionele waarden thuis – ook betreffende gewicht en lichaamsbeleving (Hill & Bhatti, 1995; Mumford e.a.1991).
Overige overwegingen Patiëntenperspectief: In de eerste plaats moet men bij mensen uit Aziatische landen oppassen te veel waarde aan de BMI toe te kennen. De hulplijn van SABN (Stichting Anorexia en Boulimia Nervosa) wordt vaak gebeld door de omgeving (familie, partners en docenten) van allochtone patiënten. Daarbij blijkt dat het tevens moeilijk is om de ouders in te schakelen (zo melden bijvoorbeeld docenten). De angst van meisjes om hun ouders teleur te stellen, is groot. De vraag die hierbij rijst, is of in sommige culturen volslanke vrouwen een teken van schoonheid zijn. Het komt echter ook voor dat in sommige culturen moeders hun dochters juist stimuleren om maaltijden over te slaan om extra slank te blijven. Binnen deze doelgroep is het voor meisjes en hun omgeving lastig om te erkennen en te herkennen dat er sprake is van een eetprobleem. Juist door de dubbele signalen die meisjes vaak op jonge leeftijd al krijgen, verliezen ze hun realistische kijk op een normaal eetpatroon en een gezond lichaamsbeeld.
Conclusie
| Niveau 2 |
Migratie vanuit een niet-westerse samenleving, etniciteit, lage sociaal-economische positie en conflicterende normen en waarden gaan vaak samen met gevoelens van onzekerheid en weinig zelfvertrouwen, die weer belangrijke (algemene maar niet specifieke) risicofactoren vormen voor de ontwikkeling van eetstoornissen.
B Hill & Bhatti, 1995; Mumford e.a., 1991; Striegel-Moore, e.a., 2000; Thomas e.a., 2002 |
Aanbeveling
De werkgroep is van mening dat leerkrachten, huisartsen, school- en jeugdartsen en andere hulpverleners er rekening mee dienen te houden dat eetstoornissen ook voor kunnen komen bij: kinderen (vooral meisjes maar soms ook jongens) in de leeftijd tussen 8 en 12 jaar jongens en mannen vrouwen ouder dan 25 jaar allochtone meisjes en vrouwen of meisjes en vrouwen die afkomstig zijn uit een niet-westerse cultuur.
Het is wenselijk om een Nederlandse vertaling te maken van de voor kinderen aangepaste Body Dissatisfaction Scale of the Eating Disorder Inventory (BD-EDI) om de aanwezigheid van een eetstoornis bij jonge kinderen na te gaan. |
Literatuur
Cosford, P., & Arnold, E. (1992). Eating disorders in later life: a review. International Journal of Geriatric Psychiatry, 7, 491-498. Dale, K., & Landers, D.M. (1998). Weight control in wrestling: eating disorders or disordered eating? Medicine and Science in Sports and Exercise, 31, 1382-1389. Davis, C., Kennedy, S.H., Ravelski, E., e.a. (1994). The role of physical activity in the development and maintenance of eating disorders. Psychological Medicine, 24, 957-967. Flannery-Schroeder, E.C., & Chrisler, J.C. (1996). Body esteem, eating attitudes and gender-role orientation in three age groups of children. Current Psychology, 15, 235-248. Gardner, R.M., Sorter, R.G., & Friedman, B.N. (1997), Developmental changes in children's body images. Journal of Social Behavior and Personality, 12, 1019-1036. Gordon, R.A. (2001). Eating disorders East and West: A culture-bound syndrome unbound. In M. Nasser, M.A. Katzman & R.A. Gordon (Red.), Eating disorders and cultures in transition (pp. 1-16). East Sussex: Brunner-Routledge. Grilo, (2002). Are there Gender Differences in DSM-IV Personality Disorders? Comprehensive Psychiatry, 43, 427-430. Hill, A.J., & Bhatti, R. (1995). Body shape perception and dieting in preadolescent British Asian girls – Links with eating disorders. International Journal of Eating Disorders, 17, 175-183. Hoek, H.W., & van Hoeken, D. (2003). Review of the prevalence and incidence of eating disorders. International Journal of Eating Disorders, 34, 383-396. Jacobi, C., Hayward, C., de Zwaan, M., e.a. (2004). Coming to terms with risk factors for eating disorders: application of risk terminology and suggestions for a general taxonomy. Psychological Bulletin, 130, 19-65. Kotler, L.A., Cohen, P., Davies, M., e.a. (2001). Longitudinal relationships between childhood, adolescent, and adult eating disorders. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 40, 1434-1440. Le Grange, D., Telch, C.F., & Tibbs, J. (1998). Eating attitudes and behaviors in 1.435 South African Caucasian and non-Caucasian college students. American Journal of Psychiatry, 155, 250-254. Lucas, A.R., Crowson, C.S., O'Fallon, W.M., e.a. (1999). The ups and downs of AN. International Journal of Eating Disorders, 26, 397-405. Marchi, M., & Cohen, P., (1990). Early childhood eating behaviors and adolescent eating disorders. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 29, 112-117. Messer, A.P., de Vos, I., & Wolters, W.H.G. (1994). Eetproblemen bij kinderen en adolescenten. Baarn: Ambo. Moreno, A.B., & Thelen, M.H. (1995). Eating Behavior in Junior High School Females. Adolescence, 30, 171-174. Mumford, D.B., Whitehouse, A.M., & Platts, M. (1991). Socio cultural correlates of eating disorders in Bradford. British Journal of Psychiatry, 158, 222-228. Nasser, M. (1997). Culture and weight consciousness. London: Routledge. Nasser, M, Katzman, M.A., & Gordon, R.A. (Red.). (2001). Eating Disorders and Culture in Transition. New York: Brunner-Routledge. Pope, H.G., Phillips, K.A., & Olivardia, R. (2000). The Adonis complex: The secret crisis of male body obsession. New York: Free Press. Rathner, G. (2001). Post-communism and the marketing of the thin ideal. In M. Nasser, M.A. Katzman & R.A. Gordon (Red.), Eating disorders and cultures in transition (pp. 93-104). East Sussex: Brunner- Routledge. Ricciardelli, L. A., & McCabe, M.P. (2001). Children’s Body Image Concerns and Eating Disturbance. A Review of the Literature. Clinical Psychological Review, 21, 325-344. Spitzer, R.L., Devlin, M., Walsh, B.T., e.a. (1992). Binge-eating disorders: A multisite field trial of the diagnostic criteria. International Journal of Eating Disorders, 11, 191-203. Striegel-Moore, R.H., Schreiber, G.B., Lo, A., e.a. (2000). Eating disorder symptoms in a cohort of 11- to 16-years old Black and White girls. The NHLBI Growth and Health Study. International Journal of Eating Disorders, 27, 49-66. Szabo, C.P., & Hollands, C. (1997). Abnormal eating attitudes in secondary-school girls in South Africa. A preliminary study. South African Medical Journal, 87, 524-530. Thelen, M.H., Powell, A.L., Lawrence, G., e.a. (1992). Eating and body image concerns among children. Journal of Clinical and Child Psychology, 21, 41-46. Thomas, C.L., James, A., & Bachmann, M.O. (2002). Eating Attitudes in English Secondary School Students. Influences of Ethnicity, Gender, Mood and Social Class. International Journal of Eating Disorders, 31, 92-96. Wood, K.C., Becker, J.A., & Thompson, J.K. (1996). Body image dissatisfaction in preadolescent children. Journal of Applied Developmental Psychology, 17, 85-100.
|