|
|
De eetbuistoornis (binge eating disorder) wordt pas sinds 1994 voorlopig erkend als een eetstoornis (American Psychiatric Association, 1994). Omdat deze eetstoornis nog maar recent ontdekt is, is er nog niet zo heel veel empirisch onderzoek naar de behandeling ervan gedaan. Het is daarom ook niet mogelijk krachtige aanbevelingen voor de behandeling van de eetbuistoornis te doen. Wel kan op grond van de bescheiden hoeveelheid onderzoek dat wél werd gedaan, een minder dwingende richtlijn worden geformuleerd (Dingemans e.a., 2002; Fairburn & Harrison, 2003; Wilson & Fairburn, 2000).
In dit hoofdstuk wordt getracht een antwoord te vinden op de vraag welke vormen van psychotherapie effectief zijn bij de eetbuistoornis. Daartoe is literatuur gezocht met behulp van de databases van PsychINFO en Medline. De volgende zoektermen zijn gebruikt: ’outcome’, ‘treatment’, ‘therapy’, ‘trial’, ‘binge eating’, ‘binge eating disorder’ en ‘eating disorders’, in wisselende samenstellingen. Uit dit literatuuronderzoek bleek dat onderzoek was gedaan naar de effecten op de eetbuistoornis van cognitieve gedragstherapie, cognitieve therapie, gedragstherapie, interpersoonlijke therapie en zelfhulp volgens cognitieve gedragstherapeutische principes.
8.1.1 Cognitieve gedragstherapie
Cognitieve gedragstherapie (CGT) voor de eetbuistoornis is gericht op de verandering van zowel gedrag als cognities. Het primaire doel is een regelmatig en normaal eetpatroon te ontwikkelen, en een afname van disfunctionele cognities over eetgedrag, lichaamsvormen en -gewicht te bewerkstelligen. De behandeling is beperkt in tijd, is probleemgeoriënteerd en gericht op het heden en de toekomst. CGT voor de eetbuistoornis wordt meestal in groepen gegeven.
Wetenschappelijk bewijs Cognitief-gedragstherapeutische behandeling van de eetbuistoornis leidde in 7 onderzoeken tot een significante reductie in de eetbuifrequentie: de eetbuifrequentie nam met ongeveer 70% af, en ongeveer 40% van de deelnemers was abstinent (Dingemans e.a., 2002). Een jaar na CGT met aansluitend gewichtscontrolebehandeling, bleven deze resultaten behouden, hoewel geconstateerd werd dat een kwart van de deelnemers die abstinent waren een jaar na afloop van de behandeling was teruggevallen, terwijl een kwart van de deelnemers die niet abstinent waren een jaar na afloop van de behandeling wel abstinent bleek. Er trad geen gewichtsverlies op tijdens CGT (Agras e.a., 1997). CGT was effectiever dan een gedragstherapie die gericht was op gewichtsverlies (Agras e.a., 1994). CGT is een relatief kortdurende therapie. Eldredge e.a. (1997) onderzochten of een langerdurende CGT voor non-responders zou leiden tot verbetering van de resultaten. Dit bleek inderdaad het geval: 50% van de patiënten verbeterde binnen de oorspronkelijke 12 weken behandeling (de eetbuifrequentie daalde met 68%) en na verlenging bleek 67% van de patiënten verbeterd (43% van de non-responders voldeed na verlenging niet meer aan de diagnose eetbuistoornis).
Conclusie
| Niveau 1 |
CGT is een effectieve interventie om de eetbuifrequentie van patiënten met een eetbuistoornis te reduceren. Om het aantal responders te maximaliseren verdient het de voorkeur om CGT langer dan 12 weken aan te bieden. CGT leidt niet tot een klinisch betekenisvolle gewichtsafname.
A2 Agras e.a., 1997; Agras e.a., 1994; Dingemans e.a., 2002; Eldredge e.a., 1997 |
8.1.2 Cognitieve therapie en gedragstherapie
Wetenschappelijk bewijs Nauta e.a. (2000) vergeleken bij 74 obese vrouwen met en zonder eetbuistoornis de effecten van kortdurende pure cognitieve therapie (in groepen) met de effecten van kortdurende pure gedragstherapie (in groepen). De afhankelijke variabelen waren eetbuifrequentie, de intentie om te lijnen, disfunctionele cognities rondom eetgedrag, lichaam en gewicht, depressie en zelfwaardering. Tijdens de follow-up, 1 jaar na het beëindigen van de cognitieve therapie, bleek 83% van de deelnemers eetbuivrij (abstinent), 1 jaar na het beëindigen van de gedragstherapie bleek 70% van de deelnemers abstinent. Disfunctionele cognities over lichaamsvormen, gewicht en eetgedrag verminderden significant, terwijl de intentie om te lijnen niet veranderde. De gewichtsdaling na gedragstherapie was 1 jaar na het beëindigen van de therapie statistisch significant, maar klinisch weinig relevant: 3 kilo. Na cognitieve therapie trad er helemaal geen gewichtsdaling op. De zelfwaardering van alle deelnemers nam significant toe, en hun depressieve stemmingen namen significant af (Nauta e.a., 2001). In een vervolgonderzoek (Werrij e.a., 2005) bleek dat toevoeging van de cognitieve therapie aan gedragsinterventies een remmende werking heeft op terugval na de therapie.
Conclusie
| Niveau 3 |
Cognitieve therapie (zonder gedragstherapie) en gedragstherapie (zonder cognitieve therapie) zijn effectieve interventies om de eetbuifrequentie van patiënten met de eetbuistoornis te reduceren en om disfunctionele cognities en gevoelens te verminderen. Pure cognitieve therapie en pure gedragstherapie leiden niet tot een klinische betekenisvolle gewichtsafname.
A2 Nauta e.a., 2000; Nauta e.a., 2001 |
| Niveau 3 |
Toevoeging van cognitieve therapie aan gedragstherapeutische interventies voorkomt terugval.
A2 Werrij e.a., 2005 |
8.1.3 Interpersoonlijke therapie
Wetenschappelijk bewijs Wilfley e.a. (2002) vergeleken de effectiviteit van CGT en interpersoonlijke groepstherapie (IPT) (n=162). Beide behandelvormen bleken even effectief: na afloop van CGT had 79% geen eetbuien meer en na afloop van IPT 73%. Tijdens de follow-up een jaar later was dit respectievelijk 59 en 62%. Ook op de secundaire uitkomstmaten (cognities rondom eetgedrag, lichaamsvormen en -gewicht, depressieve gevoelens, zelfwaardering, sociaal functioneren en algemene psychopathologie) traden significante verbeteringen op. IPT en CGT lijken dus even effectief te zijn, en ze leiden niet alleen tot een verbetering in eetgedrag, maar tot verbetering op vele domeinen. Agras e.a. toetsten of IPT voor non-responders na 12 weken CGT werkzaam zou zijn. IPT bleek echter niet te leiden tot verdere verbetering van degenen die niet met CGT geholpen waren.
Conclusie
| Niveau 3 |
CGT en interpersoonlijke therapie (IPT) zijn zowel op de korte als op de lange termijn even effectief.
A2 Wilfley e.a., 2002 |
| Niveau 3 |
IPT toegevoegd aan CGT leidt niet tot extra verbetering in de CGT non-responders.
A2 Agras e.a., 1995 |
8.1.4 Cognitief-gedragstherapeutische zelfhulp
Wetenschappelijk bewijs Carter & Fairburn (1998) vergeleken de effecten van pure zelfhulp met zelfhulp door een niet-gespecialiseerde behandelaar (facilitator) en een wachtlijstgroep. De zelfhulp was helemaal gebaseerd op het boek Overcoming Binge Eating van Fairburn (1995) – in dit boek worden de cognitief-gedragstherapeutische principes in zelfhulpformaat weergegeven. Na de therapie werd geen verschil in eetbuifrequentie gevonden tussen beide vormen van zelfhulp. Wel verschilden beide groepen van de wachtlijstgroep. Het percentage patiënten zonder eetbuien (abstinent) aan het einde van de behandeling was in de groep met pure zelfhulp 43%, in de groep met gefaciliteerde zelfhulp 50% en in de wachtlijstgroep 8%. Tijdens de follow-ups veranderden deze aantallen nauwelijks. Ook voor de andere uitkomstvariabelen (cognities, lijnen, depressie, zelfwaardering, algemene psychopathologie) bleken de verbeteringen significant. Loeb e.a. (2000) vergeleken het effect van CGT-groepen die door een cognitief-gedragstherapeut werden geleid met CGT-groepen die niet gesuperviseerd werden. Beide groepen gebruikten het zelfhulpboek Fairburn (1995). Beide groepen boekten significante resultaten: 55% eetbuireductie in de niet-gesuperviseerde groep en 68% reductie in de door een therapeut geleide groep. Dit verschil was significant: de gesuperviseerde groep bereikte een sterkere daling van het aantal mensen met eetbuien dan de niet gesuperviseerde groep. Beide groepen verbeterden even sterk in de specifieke eetpsychopathologie (disfunctionele cognities) en algemene psychopathologie. Na 6 maanden bleef dit effect behouden. Het gewicht van de patiënten veranderde niet. Ook in ander onderzoek (Peterson e.a., 1998) kwam men tot vergelijkbare resultaten en conclusies.
Conclusie
| Niveau 1 |
CGT-zelfhulpgroepen (puur of met facilitator, maar zonder gekwalificeerde cognitief-gedragstherapeut) zijn effectief in de vermindering van specifieke eetpsychopathologie en algemene psychopathologie. Groepen onder leiding van een gekwalificeerde cognitiefgedragstherapeut verbeteren significant meer dan groepen die niet gesuperviseerd werden.
A2 Carter & Fairburn, 1998; Peterson e.a., 1998; Loeb e.a., 2000 |
8.1.5 Behandeling van de eetbuistoornis en het bereiken van gewichtsverlies
Wetenschappelijk bewijs Patiënten met een eetbuistoornis zijn niet altijd, maar wel vaak obees. Gewichtsverlies werkt motiverend en vermindert de kans op somatische aandoeningen (bv. harten vaatziekten, hyperlipidemie en diabetes). Tevens verbeteren bij gewichtsverlies de psychosociale aspecten, zoals zelfbeeld en lichaamsbeleving, en verminderen depressieve gevoelens (Werrij e.a., 2003). Een empirisch feit is echter dat de behandeling van de eetbuistoornis met CGT, IPT of zelfhulpprotocollen tot nu toe nog niet heeft geleid tot klinisch significant gewichtsverlies, ondanks het normaliseren van het eetpatroon. Verschillende onderzoekers adviseren om na de CGT of IPT een gewichtsreductiebehandeling toe te passen (Agras e.a., 1997; NICE-richtlijn, 2004; Wilson & Fairburn, 2000).
8.1.6 Behandeling van de eetbuistoornis en het ontstaan van eetstoornissen
Wetenschappelijk bewijs Vanwege de veronderstelde relatie tussen lijngedrag (vermindering van de voedselinname) en het ontstaan van eetbuien (Polivy & Herman, 2002; Jansen, 2003; Jansen e.a., 2003; Stice, 2002), bestaat het gevaar dat gewichtsreducerende behandelingen leiden tot een toename van de eetbuifrequentie (National Task Force on the Prevention and Treatment of Obesity, 2000). Er zijn echter geen empirische gegevens die erop wijzen dat calorische restrictie eetbuien uitlokt bij volwassenen met overgewicht of obesitas (Stice, 2002). Integendeel, doorgaans leidt calorische restrictie tot een daling van het aantal eetbuien en gewichtsafname (Jansen, 2003; Stice, 2002). Er is ook geen bewijs voor toename van het aantal eetstoornissen (anorexia nervosa of boulimia nervosa) tijdens of na het volgen van een calorisch beperkt dieet door vrouwen met overgewicht of obesitas.
Conclusie
| Niveau 1 |
Behandeling van de eetbuistoornis met cognitieve gedragstherapie, interpersoonlijke therapie, cognitieve therapie of gedragstherapie leidt niet tot een klinisch significante daling in gewicht.
A2 Werrij e.a., 2003; Agras e.a., 1997; Wilson & Fairburn, 2000 D NICE-richtlijn, 2004 |
| Niveau 1 |
Behandeling van de eetbuistoornis met cognitieve gedragstherapie, interpersoonlijke therapie, cognitieve therapie, gedragstherapie of een gewichtsreductieprogramma leidt niet tot een significante toename van eetbuien of eetstoornissen – anders dan de eetbuistoornis.
A1 Stice, 2002 D National Task Force on the Prevention and Treatment of Obesity, 2000 |
Overige overwegingen Vanuit het patiëntenperspectief hebben ex-patiënten aangegeven dat het eerste doel van hun behandeling moest zijn om het lijnen aan de kant te zetten en zo zichzelf toe te staan anders met eten te leren omgaan. Ze moesten leren het eetgedrag als belangrijkste doel te nemen in plaats van het gewicht. Op deze manier kan er ruimte ontstaan om te oefenen en te experimenteren met verschillende (sub)doelen. Belangrijke doelen voor mensen met eetbuistoornissen zijn onder meer het leren omgaan met eetbuien, een normaal eetpatroon leren hanteren, het leren gevoelens en gedachten om te buigen, meer zelfvertrouwen krijgen, en het leren voor jezelf op te komen Belangrijke interventies tijdens de behandeling zijn: het bijhouden van een eetdagboek: knelpunten achterhalen, vaste patronen ontdekken en hieruit doelen formuleren het maken van een stappenplan en (eet)doelen stellen normaal eetpatroon zien te verkrijgen (vergelijken) informatie over hoofdhonger en maaghonger geven gevoelens en gedachten onder de aandacht brengen (CGT) werken aan lichaamsbeleving
De groepssamenstelling kan een belangrijke rol spelen bij het behalen van doelen. In deze is het nuttig te wijzen op de grote verschillen tussen anorexia nervosa, boulimia nervosa en eetbuistoornis. Bij de eetbuistoornis is er immers geen sprake van compensatie. Als men geen inzicht heeft in de diverse eetstoornissen, kan het lastig zijn te letten op de overeenkomsten tussen deze. Als iemand eenmaal inzicht heeft, past een gemengde groepssamenstelling beter. Het overgewicht maakt, dat patiënten met een eetbuistoornis zich echt anders voelen dan patiënten met anorexia nervosa of boulimia nervosa. Patiënten hebben voorkeur voor een specifieke eetstoornisgroep. Dit komt het bereiken van de doelen ten goede.
Aanbeveling
De werkgroep is van mening dat patiënten met een eetbuistoornis het beste behandeld kunnen worden met CGT in een groep die geleid wordt door een cognitieve gedragstherapeut, of met IPT in een groep die geleid wordt door een psychotherapeut die is opgeleid in de interpersoonlijke therapie. IPT en CGT zijn dan even effectief. Als patiënten niet gemotiveerd zijn tot deelname aan CGT of IPT, of op een wachtlijst staan, kunnen zij gemotiveerd worden om te starten in een CGT-zelfhulpgroep met een CGT-werkboek (puur of met een nietgespecialiseerde behandelaar (facilitator). Als patiënten niet verbeteren na 12 weken CGT of IPT, verdient het aanbeveling dezelfde behandeling te verlengen. |
De werkgroep raadt aan om al tijdens of vlak na de CGT/IPT-interventie te starten met een gewichtsreductieprogramma voor de patiënten met overgewicht of obesitas. Dit programma zou zich moeten richten op vermindering van de calorische inname, een beperking van de hoeveelheid vet in de voeding en een toename van de lichamelijke activiteit. Een individueel voedingsadvies is wenselijk. De voeding dient voldoende voedingsstoffen te bevatten en te voldoen aan de richtlijnen voor gezonde voeding, waardoor de risico’s op somatische aandoeningen niet vergroot worden. |
Literatuur
Agras, W.S., Telch, C.F., Arnow, B., Eldredge, K., Detzer, M.J., e.a. (1995). Does interpersonal therapy help patients with binge eating disorder who fail to respond to cognitive-behavioral therapy? Journal of Consulting and Clinical Psychology, 63, 356-360. Agras, W.S., Telch, C.F., Arnow, B., Eldredge, K., & Marnell, M. (1997). One-year follow-up of cognitive- behavioral therapy for obese individuals with binge eating disorder. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 65, 343-347. Agras, W.S., Telch, C.F., Arnow, B., Eldredge, K., Wilfley, D.E., e.a. (1994). Weight loss, cognitivebehavioral, and desipramine treatments in binge eating disorder. An additive design. Behavior Therapy, 25, 225-238. American Psychiatric Association. (1994). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (4de versie). Washington, DC: American Psychiatric Press Carter, J.C., & Fairburn, C.G. (1998). Cognitive-behavioral self-help for binge eating disorder: a controlled effectiveness study. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 4, 616-623. Dingemans, A.E., Bruna, M.J., & van Furth, E.F. (2002). Binge eating disorder: a review. International Journal of Obesity, 26, 299-307. Eldredge, K.L., Agras, W.S., Arnow, B., Telche.a. (1997). The effects of extending cognitive-behavioral therapy for binge eating disorder among initial treatment nonresponders. International Journal of Eating Disorders, 21, 347-352. Fairburn, C.G. (1995). Overcoming Binge Eating. New York: Guilford Press. Fairburn, C.G., & Harrison, P.J. (2003). Eating Disorders. Lancet, 361, 407-416. Jansen, A. (2003). Nothing is as practical as a good theory. In M. Maj, K. Halmi, J.J. López-Ibor e.a. (Red.), Eating Disorders (pp. 370-373). […]: Wiley. Jansen, A., Theunissen, N., Slechten, K., e.a. (2003). Overweight Children Overeat After Exposure to Food Cues. Eating Behaviors, 4, 197-209. Loeb, K.L., Wilson, G.T., Gilbert, J.S., e.a. (2000). Guided and unguided self-help for binge eating. Behaviour Research and Therapy, 38, 259-272. NICE-richtlijn, 2004 National Task Force on the Prevention and Treatment of Obesity. (2000). Dieting and the development of eating disorders in overweight and obese adults. Archives of Internal Medicine, 160, 2581-2589. Nauta, H., Hospers, H., & Jansen, A. (2001). One-year follow-up effects of two obesity treatments on psychological well-being and weight. British Journal of Health Psychology, 6, 271-284. Nauta, H., Hospers, H., Kok, G., e.a. (2000). A comparison between a cognitive and a behavioral treatment for obese binge eaters and obese non-binge eaters. Behavior Therapy, 31, 441-461. Peterson, C.B., Mitchell, J.E., Engbloom, S., e.a. (1998). Group cognitive-behavioral treatment of binge eating disorder: a comparison of therapist-led versus self-help formats. International Journal of Eating Disorders, 24, 125-136. Polivy, J., & Herman, C.P. (2002). Causes of eating disorders. Annual Review of Psychology, 53, 187- 213. Stice, E. (2002). Risk and maintenance factors for eating pathology: A meta-analytic review. Psychological Bulletin, 128, 825-848. Werrij, M. (2005). Weight thoughts. A cognitive approach to the treatment of obesity. Dissertation, Maastricht University. Werrij, M.C., Mulkens, S., Elgersma, H., Ament, A., Hospers, H.J. & Jansen, A. (2005). CBT prevents relapse in obesity treatment whereas standard behavior therapy does not. Submitted for publication. Wilfley, D.E., Welch, R., Stein, R.I., e.a. (2002). A randomized comparison of group cognitivebehavioral therapy and group interpersonal psychotherapy for the treatment of overweight individuals with binge-eating disorder. Archives of General Psychiatry, 59, 713-721. Wilson, G. T., & Fairburn, C.G. (2000). The treatment of binge eating disorder. European Eating Disorders Review, 8, 351-354.
|